Tiluba Webdesign / december 2008










 

HET WAPEN

De eerste luchtdrukgeweren zijn zo rond de 16e eeuw ontwikkeld. Frankrijk, Spanje, Nederland en Oostenrijk specialiseerden zich in de fabricage ervan en er werden zo talrijke modellen gemaakt. Het waren direct luchtdrukwapens met een luchtreservoir waarin de lucht met een pomp werd ingebracht. Deze wapens waren zeer precies en handgemaakt.

De Tiroolse klokkenmaker Girandoni verbeterde dit systeem aan het eind van de 18e eeuw en al snel werden er scherp-schutters van het Oostenrijkse leger mee uitgerust. Deze luchtdrukwapens waren krachtiger en nauwkeuriger dan de voorladers die met buskruit werden gevuld en werden hoofdzakelijk gebruikt voor oorlogsvoering. Ze waren ook veel betrouwbaarder en verraadde de schutter zijn locatie niet omdat er geen rook en vuur uit kwam. Het luchtreservoir zat vol lucht en de scherpschutters konden vele malen schieten voordat het weer bijgevuld moest worden. De kalibers van die tijd waren erg groot namelijk ca. 11 tot 14 mm (.45 tot .58 inch).

Vanaf de 20e eeuw wordt er in Europa de “veerluchtdrukbuks” ontwikkeld. Het principe is eenvoudig. Een spiraalveer met bovenop een gemonteerde zuiger, die zich in een cilinderhuis bevindt, wordt samengedrukt en vastgehouden. Op het moment dat de trekker wordt overgehaald schiet de zuiger naar voren en perst lucht door een klein gaatje (transferpoort) de loop in. Hier bevindt zich de kogel die zodoende snelheid krijgt en door de loop afgeschoten wordt. Dit type buks werd door de eenvoudige constructie een groot succes. Doormiddel van moderne machines konden de buksen ook een stuk goedkoper gemaakt worden zodat ook de gewone man ze aan kon schaffen en de schietsport kon gaan beoefenen. Het hierbij tegenwoordig gebruikte kaliber is 4,5 mm (.177 inch)

Eerste buks
De eerste buks van het gilde in 1931.

De eerste buks waar men in 1931 bij St. Willibrordus mee ging schieten was er een van het merk ER-EM-Ce en is voorzien van een achtkantige loop. Deze buksen waren eigenlijk alleen geschikt om pluimpjes met te schieten. Om de buks te laden moest men de buks breken zodat het pluimpje in de loop geduwd kon worden en het spannen van de veer gebeurde door een hendel die onder aan de loop zat naar beneden te trekken.

Op dit moment zijn er naast de veerdrukbuksen ook persluchtbuksen, hierbij wordt in plaats van de gespannen veer gebruik gemaakt van perslucht.

Buks Feinwerkbau
Een buks Feinwerkbau bouwjaar 2005.

“poeskes”, schietkaart en een koevoetjeIn de eerste jaren van ons gilde werd als munitie een pluimpje gebruikt, deze noemde men ook wel “poeske”. Deze werden zelf gemaakt van paardenhaar die in een punt geperst werden. Door er haren van een andere kleur in op te nemen kon men zijn eigen “poeske” herkennen en ook altijd op dezelfde manier in de buks stoppen. Dit was wel belangrijk want ieder “poeske” was verschillend en had dus een eigen afschot.

Men schoot toen op kaarten die op een loden achtergrond gehangen werden en nadat op alle banen geschoten was werd het schot geteld en het “poeske”  met een speciaal klein koevoetje uit het lood getrokken.
Omdat de “poeskes”  toch niet zo heel nauwkeurig waren werd er vanuit de leden op aan gedrongen dat men met kogeltjes wou gaan schieten en zo is men in 1970 gaan schieten met de loden kogeltjes die wij nu nog gebruiken, de zogenaamde diabolo.

Bij de kaarten waar men in het begin op schoot was de roos 8 punten en was bijna een centimeter groot. Deze kaarten werden ook meerdere keren gebruikt totdat ze zover kapot geschoten waren dat het niet meer te tellen was. Men kon ze ook meerdere keren gebruiken omdat toch na elk schot het behaalde punt geteld werd en het poeske uit het lood getrokken moest worden. Een serie zoals men dat toen noemde bestond uit 5 schoten waarvan de punten bij elkaar geteld werden, dus kon men 5 x 8 = 40 punten halen. Een serie koste 5 cent en voor ieder roos die men schoot moest men ook 1 cent betalen in de pot voor het teren.
Christ Roovers was berucht bij het tellen, als het “poeske” maar in de buurt van de roos zat dan riep hij “een kleintje” en dat betekende dat het een roos was dus moest er weer een cent betaald worden.
Als men in een slechte serie toch nog een roos schoot kon men deze roos voorop laten zetten in een nieuwe serie zodat de volgende serie misschien toch een goede zou worden. Hiervoor moest men dan natuurlijk wel weer 5 cent betalen.

Toen de overgang naar kogeltjes kwam is men ook andere kaarten gaan gebruiken. Op de oude kaarten was maar 1 blazoen omdat men toch elk schot gemakkelijk kon tellen als het “poeske” getrokken werd maar omdat ben bij de kogels meerdere schoten in hetzelfde gat konden zijn er nu 5 blazoenen op een kaart waarop men telkens 1 schot doet. De roos werd 10 punten en had een diameter van 5 mm en later toen de wapens steeds nauwkeuriger werden is de diameter verkleind naar 2 mm. Met deze kaarten schieten wij nu nog steeds.


Schietrosen
Dit is het streven.

 













Terug naar boven

Home | De Club | Activiteiten | Foto's | Jubileumboek | Gastenboek | Resultaten | Links | Contact